vrijdag 11 december 2009

12


Van alle maanden het meest verwend;
Het zonnetje in huis
dat zonder warmte
rent
Onze wensen drijft haar populariteit
en duwt de sneeuw
In de vergetelheid
Opdat wij elk jaar opnieuw leren
hoe wij meer kunnen begeren
kan een enkel lijstje nooit voldoen
dus zetten wij niet slechts boom,
maar schoen
Waarmee, uit de duisternis herrezen,
wij De heiligen ooit prezen
Vieren wij nu met gekleurd papier;
Het mens is waarachtig een simpel dier!

vrijdag 27 november 2009

In een Vlaag van Schoonheid


Ideeën laten zich niet inplannen, zei de planner in een tussenuur en raakte, met sigaret tussen zijn tanden, schoorvoetend overstuur.

Sturen doe je zonder staken zodat het doel zich niet verliest, verwacht de man die slechts uit wanhoop de zekere verliezer kiest.

Kiezelstenen achterlatend, stroomden zij het duister in, hun angst voorzichtig afgebakend; de oorsprong van een nieuw begin.

Beginnen wij met enkel dromen, vinden wij een groot terrein waar wij met zeeën van veroveraars de onverschrokken kleinsten zijn.
Ruime Invulling


Zelfs de stilte kan omringen
De kleinigheid der grootste dingen
En weerkaatst haar raar geluk
Ze lacht de helse morgens stuk

woensdag 25 november 2009

Weltrusten



En nee, ik heb niet goed geslapen vannacht. Dat had je me niet hoeven vragen, want dat wist je zo ook wel.

Goh, wat kun je toch onnozel zijn in je fictieve onschuld.

En vraag me niet of ik nog van je gedroomd heb want dan zal ik slechts van nachtmerries spreken.

Gelukkig zeg jij niets en hoef ik me niet tot jouw niveau te verlagen. Ik zwijg, al spreken mijn ogen boekdelen, allerminst subtiel.

Jij rolt met je ogen en vat alles weer te lichtjes op. Onterecht.

Wat heb ik toch een hekel aan jouw slaafse sloomheid. Om alles uit te moeten leggen, en dan nog honderd keer, vergt meer energie en aandacht die ik aan jou wens te besteden.

En toch bespaar ik jou de waarheid, vooralsnog. De hardheid ervan tenminste. Maakt mij dit nobel of juist tot een maniak?

Ik geef toe dat er genoeg gekheid leeft in mijn ogen - zodra ze met jouw aanwezigheid worden geconfronteerd.

Maar vannacht zal ik beter slapen; met mijn telefoon uit en de deur op slot. En zonder de nachtmuts van verdwaald medelijden.

maandag 23 november 2009

Open Einde


Het waren net bloemen in bakjes, de balkons. Zwevend op ooghoogte, gemaakt uit strenge stenen, verontschuldigend rood. Met monnikengeduld opgestapeld zoals eigenlijk het gehele gebouw. Er zou geen haartje tussen passen want ademruimte was er niet. Er zou ook geen haartje tussen willen want er leefde niks. In de stenen bakjes of in de kamers die daarachter lagen.

Gescheiden waren ze slechts door de gladde, doorzichtige platen. De ramen. Die de lucht weerkaatsten op de zorgvuldig behangen muren, zoals zonlicht op het water. Ze waren elk onnatuurlijk eenzijdig; een levend schilderij dat er slechts was om bekeken te worden. Ze verschaften zonder schaamte een uitnodiging aan alle hongerige ogen die zich met gefixeerde fascinatie aan de wereld vergaapten die buiten hun blikveld lag.

En als het glas glom in het heldere ochtendlicht, zou je zelf de vingervlekken wel zien. Het bewijs van een onvrijwillige maar onmiskenbare tweedeling; buiten en binnen, leven en wachten, rennen en stilstaan. Een geleidelijke beleving van de Dood… En al zouden ze het anders willen, de keuze was voor hen gemaakt. Zij waren niets meer dan gevangen van de Zee Van Tijd.

En de ramen? Ach, dat was hun laatste avondmaal. Waarvan de materie al even kil was als het lot dat hen wachtte. Ramen? Nee. Spiegels van eenzaamheid! Veelvoudig sloten zij hen op zonder ooit een lastig woord te horen. Van binnen of buiten. Want het is stil als je alleen bent. Ook al ben je niet daadwerkelijk alleen.

Overblijven zou lang zo erg niet zijn als de mensen bij je bleven. De mensen die je over hebt. Maar men heeft tegenwoordig niet eens genoeg tijd voor zichzelf, laat staan voor een ander. En waarom zouden zij zich met open ogen laten vangen in dat net van glas en steen. Rennen we niet allemaal zo lang we kunnen? Vast. Het stilstaan komt later wel. Al snel genoeg.

Maar toch… We denken zo veel over dingen na. Over dingen die we dicht bij ons hart dragen of dingen die juist ver van ons af staan. Van die alles overkoepelende dingen dus. En voor alles hebben we zo mooi een naam bedacht. Maar hoe noemen we de tijd waarin we vergeten worden? De tijd tussen het gezamenlijk lachen en het alleen wakker worden in een huis waar we niet echt wonen, maar zijn. Alleen maar zijn. Totdat we niet meer zijn. We weg zijn. Eindelijk. Verlost.

Maar is er dan wel een verschil of blijven we gewoon zweven op een wolk van nalatigheid? Bevrijd zijn we dan, weliswaar, van de vierkante blokkendoos die ons gevangen hield. Niet langer achter glas. Stil te staan. Te smachten…naar het leven dat ons niet kent. Gebonden zijn we eigenlijk alleen aan onszelf, toch? Niet aan ons lichaam, niet aan ons huis, niet aan dat alles wat tastbaar is. Dat is onzin. Dat doet er niet toe. Het is handig, dat wel, maar nodig? Nee.

Onze wil is dat wat ons drijft, dat wat ons elke dag weer laat opstaan. Meer bagage heb je niet nodig. Maar je moet wel durven om niet aan het raam gekluisterd te blijven. Om je ogen te openen naar dat wat voor je staat en er met beide handen naar te grijpen. Om door de vingervlekken heen te gaan, lachend. Moed laat zich immers gemakkelijk verzamelen als het een doel heeft. Al is de eerste stap niet gemakkelijk gezet.

Misschien is het een kwestie van verbeelding, misschien lijkt het voor hen niets meer dan een sprookje. Maar wie wil nou zweven als je nog kunt rennen? Wie wil nou kijken als je nog mee kunt doen? Daar buiten. Aan de andere kant van het glas. “Toe maar,” zou ik hen graag zeggen. “De wereld wacht op jou.”
3


De Dood die wacht op de nacht
Is machteloos
Het Leven dat slechts de dag verblijdt,
Is troosteloos
De Liefde zonder waar gezicht,
Is hopeloos
Rood


“Zal ik je helpen met opruimen?” hoorde ik een stem achter me vragen. Ik draaide me om, maar eigenlijk wist ik al wel wie er stond. De stralende blauwe ogen bewezen mijn gelijk, pretogen die ik overal zou herkennen. Een onbedoelde glimlach verscheen op mijn lippen. Eentje die ik snel probeerde te verstoppen, voordat hij het zag. Maar ik kon er niets aan doen, ik moest altijd lachen als ik hem zag. Ook als het eigenlijk niet mocht.

Thijs merkte niets van mijn onzekerheid en lachte vriendelijk terug. “Wat hebben we er weer een bende van gemaakt, hè?”
Ik knikte. “Ja, maar leuk was het wel.”
“Zeker. Maar het is altijd leuk hier. Bij jou.”
Mijn hart bonsde. “Ja…,” mompelde ik. “Dus je kwam toch niet alleen maar voor de hapjes?” Ik had het eigenlijk als grap bedoelt, maar er klonk een zekere ernst door in mijn woorden. Of zocht ik stiekem naar een bevestiging?
“Nee, joh. Voor de drankjes, dat weet je nu toch wel?” plaagde hij en ging op een verhoging bij de rand van het dakterras zitten. Ik ging automatisch naast hem zitten. Deed ik dat altijd?

“Over drankjes gesproken,” zei ik, terwijl ik een halflege fles champagne van het tafeltje naast ons griste, “deze moet ook nog leeg.”
“Ah, dan is het maar goed dat we nog niet aan de afwas zijn begonnen.” Hij overhandigde me een van de twee glazen die naast hem op de grond stonden. Toch wachtte ik even zodat ik eerst voor hem in kon schenken.
“Ik wist niet dat jij ook lippenstift droeg, zeg,” zei ik toen ik zijn glas onder ogen kreeg. Grijnzend liet ik de bubbels vloeien.
“Tuurlijk, vooral naar bijzondere gelegenheden! En je weet dat rood mij erg flatteert.”

Zulke gesprekken hadden we nou altijd omdat we precies hetzelfde gevoel voor humor hebben. Dat is voor mij een enorme opluchting. Bij hem hoef ik niet op mijn woorden te letten, tegen hem kan ik gewoon alles zeggen wat ik denk. Oké, bijna alles… Er zijn waarschijnlijk dingen die ik beter voor me kan houden. We zijn immers vrienden. Beste vrienden. En onze vriendschap is zeer belangrijk voor mij. Te belangrijk.

“Hmm, tuurlijk,” antwoorde ik hem, half in gedachten verzonken. “Dan moet je maar een keer eentje van mij lenen. Ik heb er genoeg.”
“Ja, dat is goed. Want jij hebt weer een heel heerlijk kleurtje op vandaag. Zeer fris, zeer rood, zeer verleidelijk.” Hij nam een flinke slok champagne en zette zijn glas tussen zijn voeten.

“Zoals altijd.” Mijn antwoord klonk speels, maar in werkelijkheid krijg ik altijd knikkende knieën als hij me complimentjes geeft. Des te meer omdat ik bij hem nooit precies weet wat hij nou echt meent of wat bij onze ingeburgerde comedy routine hoort. Ik haat dat, dat ik zo moest raden.

Intussen ging het licht in een gebouw tegenover ons uit. Ik realiseerde me nu pas hoe donker het was geworden. Misschien was het maar beter ook zo anders zou hij nog wel eens de verliefdheid in mijn gezicht kunnen lezen. Ik probeerde dit soort gedachtes uit mijn hoofd te schudden.

“Het verbaasd me toch hoeveel verstand jongens hebben van cosmeticaproducten.” Ik stootte hem zachtjes tegen zijn arm zoals ik wel vaker deed, amicaal met een beetje meer.
“Kijk wat dat betreft is het altijd handig om een vriendin te hebben,” reageerde hij, totaal onschuldig. “Want vrouwen weten van elkaar wel wat ze mooi vinden. Anders was het vast weer een CD geworden, sorry.”

Au! Het v-woord... Dat deed zelfs na honderd keer nog pijn, en elke keer met vernieuwende kracht. Sorry? Nou, inderdaad. Laat die CD maar zitten, als ik geweten had dat die stomme trut mijn cadeau had uitgezocht, had ik het niet zo vaak gebruikt. Dan had ik Thijs vriendelijk bedankt en het rode stukje onzin nog met verpakking en al gewoon uit het raam geflikkerd. Sorry!

Ik besloot me er niet teveel over op te winden. “Zeg, welke CD wil jij eigenlijk voor je verjaardag?” vroeg ik schijnheilig. Natuurlijk merkte hij niks, zoals altijd. Hij zat daar alleen maar mooi te zijn in het flauwe licht van de felgekleurde papieren lantaarns. In het flauwe licht van mijn vertrapte ziel.
Ik nam een laatste slok wijn. “Anders geef ik je wel gewoon een bon, hoor.”