vrijdag 27 november 2009

In een Vlaag van Schoonheid


Ideeën laten zich niet inplannen, zei de planner in een tussenuur en raakte, met sigaret tussen zijn tanden, schoorvoetend overstuur.

Sturen doe je zonder staken zodat het doel zich niet verliest, verwacht de man die slechts uit wanhoop de zekere verliezer kiest.

Kiezelstenen achterlatend, stroomden zij het duister in, hun angst voorzichtig afgebakend; de oorsprong van een nieuw begin.

Beginnen wij met enkel dromen, vinden wij een groot terrein waar wij met zeeën van veroveraars de onverschrokken kleinsten zijn.
Ruime Invulling


Zelfs de stilte kan omringen
De kleinigheid der grootste dingen
En weerkaatst haar raar geluk
Ze lacht de helse morgens stuk

woensdag 25 november 2009

Weltrusten



En nee, ik heb niet goed geslapen vannacht. Dat had je me niet hoeven vragen, want dat wist je zo ook wel.

Goh, wat kun je toch onnozel zijn in je fictieve onschuld.

En vraag me niet of ik nog van je gedroomd heb want dan zal ik slechts van nachtmerries spreken.

Gelukkig zeg jij niets en hoef ik me niet tot jouw niveau te verlagen. Ik zwijg, al spreken mijn ogen boekdelen, allerminst subtiel.

Jij rolt met je ogen en vat alles weer te lichtjes op. Onterecht.

Wat heb ik toch een hekel aan jouw slaafse sloomheid. Om alles uit te moeten leggen, en dan nog honderd keer, vergt meer energie en aandacht die ik aan jou wens te besteden.

En toch bespaar ik jou de waarheid, vooralsnog. De hardheid ervan tenminste. Maakt mij dit nobel of juist tot een maniak?

Ik geef toe dat er genoeg gekheid leeft in mijn ogen - zodra ze met jouw aanwezigheid worden geconfronteerd.

Maar vannacht zal ik beter slapen; met mijn telefoon uit en de deur op slot. En zonder de nachtmuts van verdwaald medelijden.

maandag 23 november 2009

Open Einde


Het waren net bloemen in bakjes, de balkons. Zwevend op ooghoogte, gemaakt uit strenge stenen, verontschuldigend rood. Met monnikengeduld opgestapeld zoals eigenlijk het gehele gebouw. Er zou geen haartje tussen passen want ademruimte was er niet. Er zou ook geen haartje tussen willen want er leefde niks. In de stenen bakjes of in de kamers die daarachter lagen.

Gescheiden waren ze slechts door de gladde, doorzichtige platen. De ramen. Die de lucht weerkaatsten op de zorgvuldig behangen muren, zoals zonlicht op het water. Ze waren elk onnatuurlijk eenzijdig; een levend schilderij dat er slechts was om bekeken te worden. Ze verschaften zonder schaamte een uitnodiging aan alle hongerige ogen die zich met gefixeerde fascinatie aan de wereld vergaapten die buiten hun blikveld lag.

En als het glas glom in het heldere ochtendlicht, zou je zelf de vingervlekken wel zien. Het bewijs van een onvrijwillige maar onmiskenbare tweedeling; buiten en binnen, leven en wachten, rennen en stilstaan. Een geleidelijke beleving van de Dood… En al zouden ze het anders willen, de keuze was voor hen gemaakt. Zij waren niets meer dan gevangen van de Zee Van Tijd.

En de ramen? Ach, dat was hun laatste avondmaal. Waarvan de materie al even kil was als het lot dat hen wachtte. Ramen? Nee. Spiegels van eenzaamheid! Veelvoudig sloten zij hen op zonder ooit een lastig woord te horen. Van binnen of buiten. Want het is stil als je alleen bent. Ook al ben je niet daadwerkelijk alleen.

Overblijven zou lang zo erg niet zijn als de mensen bij je bleven. De mensen die je over hebt. Maar men heeft tegenwoordig niet eens genoeg tijd voor zichzelf, laat staan voor een ander. En waarom zouden zij zich met open ogen laten vangen in dat net van glas en steen. Rennen we niet allemaal zo lang we kunnen? Vast. Het stilstaan komt later wel. Al snel genoeg.

Maar toch… We denken zo veel over dingen na. Over dingen die we dicht bij ons hart dragen of dingen die juist ver van ons af staan. Van die alles overkoepelende dingen dus. En voor alles hebben we zo mooi een naam bedacht. Maar hoe noemen we de tijd waarin we vergeten worden? De tijd tussen het gezamenlijk lachen en het alleen wakker worden in een huis waar we niet echt wonen, maar zijn. Alleen maar zijn. Totdat we niet meer zijn. We weg zijn. Eindelijk. Verlost.

Maar is er dan wel een verschil of blijven we gewoon zweven op een wolk van nalatigheid? Bevrijd zijn we dan, weliswaar, van de vierkante blokkendoos die ons gevangen hield. Niet langer achter glas. Stil te staan. Te smachten…naar het leven dat ons niet kent. Gebonden zijn we eigenlijk alleen aan onszelf, toch? Niet aan ons lichaam, niet aan ons huis, niet aan dat alles wat tastbaar is. Dat is onzin. Dat doet er niet toe. Het is handig, dat wel, maar nodig? Nee.

Onze wil is dat wat ons drijft, dat wat ons elke dag weer laat opstaan. Meer bagage heb je niet nodig. Maar je moet wel durven om niet aan het raam gekluisterd te blijven. Om je ogen te openen naar dat wat voor je staat en er met beide handen naar te grijpen. Om door de vingervlekken heen te gaan, lachend. Moed laat zich immers gemakkelijk verzamelen als het een doel heeft. Al is de eerste stap niet gemakkelijk gezet.

Misschien is het een kwestie van verbeelding, misschien lijkt het voor hen niets meer dan een sprookje. Maar wie wil nou zweven als je nog kunt rennen? Wie wil nou kijken als je nog mee kunt doen? Daar buiten. Aan de andere kant van het glas. “Toe maar,” zou ik hen graag zeggen. “De wereld wacht op jou.”
3


De Dood die wacht op de nacht
Is machteloos
Het Leven dat slechts de dag verblijdt,
Is troosteloos
De Liefde zonder waar gezicht,
Is hopeloos
Rood


“Zal ik je helpen met opruimen?” hoorde ik een stem achter me vragen. Ik draaide me om, maar eigenlijk wist ik al wel wie er stond. De stralende blauwe ogen bewezen mijn gelijk, pretogen die ik overal zou herkennen. Een onbedoelde glimlach verscheen op mijn lippen. Eentje die ik snel probeerde te verstoppen, voordat hij het zag. Maar ik kon er niets aan doen, ik moest altijd lachen als ik hem zag. Ook als het eigenlijk niet mocht.

Thijs merkte niets van mijn onzekerheid en lachte vriendelijk terug. “Wat hebben we er weer een bende van gemaakt, hè?”
Ik knikte. “Ja, maar leuk was het wel.”
“Zeker. Maar het is altijd leuk hier. Bij jou.”
Mijn hart bonsde. “Ja…,” mompelde ik. “Dus je kwam toch niet alleen maar voor de hapjes?” Ik had het eigenlijk als grap bedoelt, maar er klonk een zekere ernst door in mijn woorden. Of zocht ik stiekem naar een bevestiging?
“Nee, joh. Voor de drankjes, dat weet je nu toch wel?” plaagde hij en ging op een verhoging bij de rand van het dakterras zitten. Ik ging automatisch naast hem zitten. Deed ik dat altijd?

“Over drankjes gesproken,” zei ik, terwijl ik een halflege fles champagne van het tafeltje naast ons griste, “deze moet ook nog leeg.”
“Ah, dan is het maar goed dat we nog niet aan de afwas zijn begonnen.” Hij overhandigde me een van de twee glazen die naast hem op de grond stonden. Toch wachtte ik even zodat ik eerst voor hem in kon schenken.
“Ik wist niet dat jij ook lippenstift droeg, zeg,” zei ik toen ik zijn glas onder ogen kreeg. Grijnzend liet ik de bubbels vloeien.
“Tuurlijk, vooral naar bijzondere gelegenheden! En je weet dat rood mij erg flatteert.”

Zulke gesprekken hadden we nou altijd omdat we precies hetzelfde gevoel voor humor hebben. Dat is voor mij een enorme opluchting. Bij hem hoef ik niet op mijn woorden te letten, tegen hem kan ik gewoon alles zeggen wat ik denk. Oké, bijna alles… Er zijn waarschijnlijk dingen die ik beter voor me kan houden. We zijn immers vrienden. Beste vrienden. En onze vriendschap is zeer belangrijk voor mij. Te belangrijk.

“Hmm, tuurlijk,” antwoorde ik hem, half in gedachten verzonken. “Dan moet je maar een keer eentje van mij lenen. Ik heb er genoeg.”
“Ja, dat is goed. Want jij hebt weer een heel heerlijk kleurtje op vandaag. Zeer fris, zeer rood, zeer verleidelijk.” Hij nam een flinke slok champagne en zette zijn glas tussen zijn voeten.

“Zoals altijd.” Mijn antwoord klonk speels, maar in werkelijkheid krijg ik altijd knikkende knieën als hij me complimentjes geeft. Des te meer omdat ik bij hem nooit precies weet wat hij nou echt meent of wat bij onze ingeburgerde comedy routine hoort. Ik haat dat, dat ik zo moest raden.

Intussen ging het licht in een gebouw tegenover ons uit. Ik realiseerde me nu pas hoe donker het was geworden. Misschien was het maar beter ook zo anders zou hij nog wel eens de verliefdheid in mijn gezicht kunnen lezen. Ik probeerde dit soort gedachtes uit mijn hoofd te schudden.

“Het verbaasd me toch hoeveel verstand jongens hebben van cosmeticaproducten.” Ik stootte hem zachtjes tegen zijn arm zoals ik wel vaker deed, amicaal met een beetje meer.
“Kijk wat dat betreft is het altijd handig om een vriendin te hebben,” reageerde hij, totaal onschuldig. “Want vrouwen weten van elkaar wel wat ze mooi vinden. Anders was het vast weer een CD geworden, sorry.”

Au! Het v-woord... Dat deed zelfs na honderd keer nog pijn, en elke keer met vernieuwende kracht. Sorry? Nou, inderdaad. Laat die CD maar zitten, als ik geweten had dat die stomme trut mijn cadeau had uitgezocht, had ik het niet zo vaak gebruikt. Dan had ik Thijs vriendelijk bedankt en het rode stukje onzin nog met verpakking en al gewoon uit het raam geflikkerd. Sorry!

Ik besloot me er niet teveel over op te winden. “Zeg, welke CD wil jij eigenlijk voor je verjaardag?” vroeg ik schijnheilig. Natuurlijk merkte hij niks, zoals altijd. Hij zat daar alleen maar mooi te zijn in het flauwe licht van de felgekleurde papieren lantaarns. In het flauwe licht van mijn vertrapte ziel.
Ik nam een laatste slok wijn. “Anders geef ik je wel gewoon een bon, hoor.”
Als Liefde Uit De Lucht Komt Vallen


Om een vallende ster te zien heb je geen dure verrekijker nodig, alleen een heldere hemel en een plek zonder de aanwezigheid van licht. Maar als het zover is, hou je ogen dan goed open. Het is slechts een kortstondig moment van schoonheid. Een kwestie van seconden eigenlijk die opmerkelijk veel aandacht vereist en je ongeduld meerdere malen op de proef zal stellen.

Maar voor zij die volhouden, zullen er zich uiteindelijk tientallen fonkelende kansen aandoen. Bedenk daarbij dat de felst stralende ster altijd het langst op zich laat wachten. Koester echter dit vooruitzicht in plaats je waardering uit eenzaamheid aan de monotone glinstering van de maan te schenken. Het uitstellen van de beloning vergroot immers de vreugde, nietwaar?

Ananda keek met grote nieuwsgierigheid de stille nachtlucht in. Vanachter haar slaapkamerraam had ze al tien minuten naar buiten zitten kijken, maar helaas had ze nog niets bijzonders kunnen ontdekken in de grote, zwarte massa die voor haar lag. Alles bleef donker op een paar bescheiden lichtpuntjes na die ze zo langzamerhand wel met haar ogen dicht wist aan te wijzen.
Omdat ze deze ervaring graag met iemand wilde delen, had ze haar vriend gevraagd bij haar te komen zitten. Deze had zich met veel pijn en moeite bij de voetbalwedstrijd op televisie weggesleept.
“Zeg, hoe lang moeten we hier nog zitten? We wachten al wel een half uur!” sprak Sven geïrriteerd. Hij zat onderuit gezakt naast haar op het bed en zuchtte diep toen het leek alsof hij geen antwoord kreeg.
“Nee, joh. Zo voelt het misschien, maar we zitten hier nog maar een poosje. Op het journaal zeiden ze dat er elk uur wel tien vallende sterren te zien zouden zijn. Dat wil ik echt niet missen.”
Ze zette haar handen wat meer naar achteren om hoger te kunnen kijken.
“Oh, wel tien per uur,” herhaalde Sven met spottende toon. “Dat is nog geen een per vijf minuten!”
Ze gunde hem geen weerwoord.
Hij sprong van bed en knipte het licht aan.
“Hey!” riep ze verontwaardigd. “Ik zei toch nog dat het licht uit moest blijven. Anders kun je ze niet goed zien!”
“Ja, ja, ik weet het! Maar eerst ga ik even iets lekkers halen anders is het niet om uit te houden,” mopperde hij en was al snel om de hoek van de deur verdwenen.
Ananda negeerde zijn kinderachtige gedrag en bleef met volle aandacht voor zich uit staren. Voor haar was de belofte van iets al genoeg. Al zag ze nu in dat het niets naast haar ook een verademing was.
Onderop


Met zijn kaplaarzen aan stond Antonie in het buitenverblijf van de nijlpaarden. Hij had het hek nog niet achter zich dicht gedaan of de donkere kraaloogjes glommen hem met veel interesse tegemoet. Er bestonden veel misverstanden over deze dikhuidige dieren. Mensen dachten vaak dat ze dom waren en lui, maar niets was minder waar. Ze waren uitstekende en ijverige zwemmers en wisten precies wanneer het voedertijd was, alsof iemand een kookwekkertje voor hen had klaargezet.

Met langzame, waggelende bewegingen kwamen ze zijn kant op. Hun kleine oortjes roerden uitgelaten heen en weer bij het geluid van het openen van de zak met wortels en knollen. Het was maar goed dat elke verzorger voor het vervoeren van het eten een kruiwagen tot zijn beschikking kreeg want de groep waarvoor hij nu de tafel dekte, at gezamenlijk zo’n zevenhonderd kilo voedsel per dag. Als hij dat telkens heen en weer had moeten slepen, was hij al lang arbeidsongeschikt geweest, grapte hij vaak tegen zijn vrouw.

Nadat hij de voederbakken had gevuld, wierp hij een haastige blik op zijn horloge.
“Als ik nu niet vertrek, kom ik zelf te laat voor het eten,” mompelde hij in zichzelf. “Dat zal Debbie niet leuk vinden.”
Door zijn stressvolle baan bij Dierenpark Emmen was te laat komen een gewoonte geworden. Je kon immers niet van te voren zeggen wanneer de tijgers ruzie zouden krijgen of de apen er een puinhoop van zouden maken. Zelfs de beheerste pinguïns hadden wel eens hun slechte dagen, zoals vanmiddag bij het verschonen van hun habitat was gebleken. Een van de kuikens had het wel grappig geleken om bij hem op de rug te springen. Antonie was hiervan zo geschrokken dat hij pardoes het water in was gegleden.

Gelukkig had hij meerdere reserve kledingstukken in zijn kluisje liggen en kon hij dus zonder na te druppelen naar huis vertrekken. Eten kunnen jullie toch als de beste. Daar hebben jullie mij niet voor nodig. Net toen hij zich om wilde draaien, voelde hij iets aan hem trekken. Een moment later realiseerde hij zich dat het de blauwe rugzak om zijn schouder was die de aandacht van een vrouwtjes nijlpaard had getrokken. Met mensachtige nieuwsgierigheid had ze aan de bungelende lap stof getrokken. Antonie snapte niet wat er aan de hand was, totdat hij zich herinnerde dat hij in alle haast een portie speelvoer in zijn rugzak had gestopt.

“Dus je wilt nog even spelen?” vroeg hij liefjes. Hij ritste zijn tas open en graaide er een flinke pluk gras uit. “Alsjeblieft, Sonja.” Hij dacht dat dit wel genoeg zou zijn om ze tevreden te houden, maar hij voelde een tweede, veel heftigere, ruk aan hem. Vanuit zijn ooghoek zag hij Seth, het enige overgebleven mannetjes nijlpaard staan. Het dier keek hem met argwaan aan alsof het wilde zeggen; ‘hey, krijg ik niks?” Een derde ruk volgde, waarop Antonie zich afvroeg of ze het op het speelgras hadden voorzien of op hem.

“Zeg, ik ben niet jullie speeltje,” riep Antonie verontwaardigd uit. “En ik heb hier geen tijd voor.” Maar zijn gezelschap leek dat niet belangrijk te vinden. Antonie had voor de rugzak volledig open te ritsen en de inhoud ervan op de bodem te gooien, maar hij kwam niet eens zover. Binnen enkele seconden lag het ding in twee stukken op de grond, het resultaat van het teamwork van Seth en Sonja.
“En bedankt,” stamelde Antonie geïrriteerd terwijl hij het speelgras opraapte en het naast de voederbak smeet. “Gelukkig was het geen dure anders had ik jullie de rekening gestuurd.”

En gelukkig zat er niks belangrijks in, dacht hij nog bij zichzelf. Toen voelde hij een vlaag van paniek. “De vakantiefoto’s!” Verdwaasd zochten zijn handen tussen wat overgebleven grassprietjes, maar het was nergens te bekennen. Shit! Als ik thuiskom zonder die foto’s kan ik op de bank slapen… Zijn hart sloeg over want hij wist dat dit niet zomaar vakantiefoto’s waren. Het waren bewijsstukken van de eerste vakantie die hij met zijn vrouw had gevierd zonder zich constant zorgen te moeten maken om de tweeling. Die hadden ze, na lang smeken, eindelijk een keer bij opa en oma achter kunnen laten.

Terwijl zijn ogen de omgeving scanden, hoorde hij de zoete woorden die zijn vrouw hem aan de ontbijttafel had toegefluisterd door zijn hoofd spoken. “Ik ben opnieuw verliefd op je geworden,” had ze gezegd. En hij had precies geweten wat ze bedoelde. Nog nooit was ze zo mooi geweest als die morgen, badend in het zachte ochtendlicht. Nog nooit had hij zich zo goed gevoeld als toen hij dat moment alleen met haar mocht delen. Die foto’s moeten hier ergens liggen!

Hij was bijna de voederbak ingedoken toen hij iets onder zijn voeten hoorde knarsen. Vlug deed hij een stap opzij en pakte hij het plastic mapje van de vloer. Tot zijn opluchting zaten vrijwel alle foto’s er nog in, op een stuk of vier na. Tussen de poten van de nijlpaarden door zag hij hoe, als een spoor van kruimels, de missende foto’s in het zand verspreid waren. Eentje na eentje raapte hij ze op, veegde hij ze af en stopte hij ze weer veilig in wel in het mapje dat hij tegen zijn borst gedrukt hield. Hij was al lang blij dat de dieren niet uit verveling aan zijn herinneringen waren gaan knabbelen.

Toen hij de overzichtsfoto erbij pakte, merkte hij echter dat er een foto was die miste. Een felle kreun ontsnapte uit zijn mond. En dat is juist de mooiste! Het teleurgestelde gezicht van zijn vrouw verscheen voor hem. “Ik kan ook niets aan jou overlaten…”.
Hij draaide om zijn as en liet zijn ogen nogmaals over de bodem gaan, half verwachtend om een van de nijlpaarden met gretige happen het plaatje te zien verorberen. Tot zijn ontzetting sloeg deze ongeluksdag nog niet in deze richting. In tegendeel, een van de zwangere nijlpaarden zat met wat leek op moederlijk medeleven naar de foto te staren. Antonie zuchtte, opgelucht en liep zo snel als zijn voeten hem dragen konden naar haar toe.

Wat er toen gebeurde had hij echter niet kunnen raden. In een vloeiende beweging draaide het dier zich om en liet het zich op de vrolijk lachende gezichten van het verliefde paar vallen. Met een kreet van verbazing nam Antonie de situatie waar. Het mooiste moment dat hij ooit gedeeld had met zijn vrouw lag nu begraven onder een glibberige, grijze vetmassa. Niet te vergeten, een glibberige, grijze vetmassa van maar liefst 20.00 kilo.

Met handen vol gras en wortels probeerde Antonie haar van haar plek te krijgen, maar het dier bleef rustig zitten, sloom voor zich uitkijkend en vergenoegend kauwend. Het was bijna alsof het de spot met hem dreef. Inderdaad, nijlpaarden zijn heus niet dom en lui. Ze weten precies wat ze moeten doen om hun zin te krijgen.
Hoogmoed


Het diepe geluid van een verre scheepshoorn galmde genadeloos door de loods. Als de klank slechts een seconde later hoorbaar was geweest, hadden de havenarbeiders zeker het verdachte geluid wel gemerkt. Die van de onmiskenbare ontsnapping van een kogel uit zijn kooi. Maar de pistolen werden gelijkmatig getrokken en geleegd, zonder twijfel of terughoudendheid en werd dus bedekt door een geluid van een veel grotere omvang.

Dit duel had trouwens geen getuigen. Helaas voor Daan den Koninge had dit duel ook geen winaars. Met verspilde moeite hield hij zijn hand tegen zijn borst gedrukt, de plek waar zijn witte shirt bloedrood gekleurd was. Hij voelde zijn hart hevig kloppen, alsof in protest, en wist zich maar amper staande te houden door zich vast te klampen aan een oude, ijzeren ketting die van het plafond naar beneden hing. Al stond hij stil, was hij totaal buiten adem. Ergens vlak boven hem hoorde hij vogels fladderen, maar toen hij zijn ogen omhoog richtte om te kijken, zag hij zijn omgeving samensmelten in een enkel beeld. Hij wist toen dat het niet lang meer zou duren voordat het over zou zijn. Voordat hij voorgoed verslagen zou zijn.

Nooit had hij gedacht dat het zo zou eindigen. Nooit had hij gedroomd dat zijn glorie zou vergaan. Dat het zou vergaan met hetzelfde gemak als dat hij het verworven had. Maar vandaag zou geen schat hem nog redden kunnen, al was hij zelfs op dit bittere moment omringd door goud. De buit waarnaar hij, samen met zijn vrienden die nu ijskoud in het felle zonlicht lagen, maandenlang smachtend had uitgekeken, leek hem uit te lachen. Keihard.

Ironisch gezien was het zijn vertrouwen in vriendschap, niet zijn hebzucht, dat hem naar de drempel van De Dood had geleidt. Misschien dat deze daarom nog niet zeker scheen van zijn lot. Hij hoorde zijn eigen geweten razen. Verdiende hij een tweede kans? Ja. Zou hij zich voortaan beter gedragen? Nee. Daan was niet gemaakt voor regels. Daan was gemaakt voor macht en misdaad. Het zat in zijn bloed. Het bloed dat hij inmiddels op zijn lippen kon proeven.

Eigenlijk had hij het kunnen verwachten. Een crimineel creëert immers zoveel lawaai in zijn leven dat het hem zal blijven achtervolgen tot het hem uiteindelijk inhaalt. In een moment van zwakte of ziekelijke zelfverzekerdheid. Zijn moment was net gekomen en was aan hem voorbij gerend zonder dat hij het zich ooit had gerealiseerd. Maar De Dood was geduldig en haastte zich niet.

Hij wachtte af tot zijn benen het niet meer zouden uithouden, tot zijn ogen dicht zouden vallen en hij langzaam zijn evenwicht zou verliezen. Maar voordat dit gebeurde, zou Daan zijn leven voelen, intenser en dichterbij dan dat hij het ooit gevoeld had. Nog even had hij de kans om afscheid te nemen. Om de gezichten te zien die hem dierbaar waren. Nog even en dan was hij weg. Dan zou hij alles achterlaten. Alles wat hij had opgebouwd, alles wat hij had verzameld, alles wat hij had vernield. Als een kapitein zou hij ondergaan met zijn schip. Trots en eenzaam.
Schuim

Voorzichtig borstelde ze de het donkerbruine haar van haar dochtertje. De pijpenkrullen vielen hierbij speels in het ronde gezichtje. Elke keer dat ze Renee vroeg stil te zitten, had ze opnieuw ontzag voor haar ongelofelijke uithoudingsvermogen. Waar voor andere kinderen rennen, huppelen, dansen en spelen energie kostte, kostte het Renee een wereld aan geduld om zich niet te bewegen. Vooral als ze minutenlang lief bij mama op schoot moest zitten.

“Straks gaan we in bad, hè, mama?” vroeg het kleintje.
Haar moeder knikte. “Ja, als ik klaar ben met je haartjes.” Dit duurde telkens langer dan ze had gedacht. De dikke lokken lieten zich met tegenzin temmen, waardoor ze alvorens natgemaakt te worden eerst eens grondig moesten worden geborsteld.

“Au!” riep het kleintje, geschrokken, en wendde haar hoofd de andere kant op.
“Sorry, lieverd. Ik zal wat voorzichtiger zijn. Blijf je nog eventjes zitten?” vroeg haar moeder en gaf haar een kus op haar kruin. Ze wist dat Renee wat gevoeliger was dan andere kinderen, niet alleen fysiek maar ook mentaal. Er hoefde maar weinig te gebeuren voordat haar dochtertje geëmotioneerd raakte.

Ongeduldig schopte het kleintje met haar voeten heen en weer. “Mag ik straks extra schuim?”
Haar moeder lachte. “Natuurlijk, lieverd. Maar niet zoveel als vorige keer want je weet vast nog wel wat er toen gebeurde.”
Het kleintje giechelde hevig. “Jaaaa!”
“De hele vloer bedekt met bubbels,” reageerde haar moeder speels en herinnerde zich nog perfect hoe Renee het flesje douche gel uit haar handen had gegrist en vrijwel volledig in bad had laten leeglopen.
“Ik ben gek op bubbels,” zei het kleintje onschuldig.
“Wie niet?” vroeg haar moeder. “maar een beetje minder mag ook wel.”

Ze wist echter dat er in de kleurrijke wereld van haar dochtertje geen maatstaven bestonden voor dingen. Er was alleen ‘ja’ en ‘nee’ , ‘wel’ en ‘niet’ of ‘lief’ en ‘stout’. Grijs moest zij nog ontdekken, al zou dat waarschijnlijk op latere leeftijd gebeuren dan bij andere kinderen. Omdat Renee niet gewoon maar anders was. Niet heel erg anders, maar een klein beetje anders, tenminste dat hadden de artsen gezegd. Niet dat zij dat erg vond en haar dochtertje evenmin.

Toch vroeg ze zich wel eens af of Renee er iets van merkte, of ze er ooit problemen mee had. We zullen er het beste van moeten maken, vertelde ze zichzelf.
Intussen gleed het kleintje van haar schoot en haastte zich naar de badkamer.
“Pak me dan als je kan,” riep ze jolig.
Haar moeder sprong op en snelde haar achterna, zoals altijd. “Je weet toch dat ik veel sneller ben,” loog ze.

donderdag 19 november 2009

Dichtbij


Een flauw gevoel vervult mij terwijl ik de bekende, lange gang in staar. Fel neon licht druipt van het plafond en valt op de hoofden van figuren in wit die plichtsgetrouw langs marcheren. Niets lijkt hen te deren, zelfs niet de Dood. In hun gezichten bespeur ik geen angst. Hun ogen staan strak en sfeerloos al ontsnapt er een vluchtige blik van sympathie als ze ons blikveld binnendwalen.

Ik vraag me af hoe lang we hier al zitten. Het lijken geen uren, maar dagen. De klok is het niet met mij eens en trekt me met schreeuwende kracht terug naar de werkelijkheid; het duurt te lang. Het leven sluimert. Genadeloos langzaam.

Zou het zo horen? Is dit eerlijk? Het knipperende lampje dat hoog boven mij zweeft het is enige gelijkgezinde protest dat aanwezig is. De rest is stil, zwijgt. Niet uit verveling of bezigheid, nee, het is alsof ze niet durven te spreken. Alsof een hoopvol woord van hen hem de adem zal benemen.

Om de beelden die mijn hart overstromen te verdringen, vestig ik mijn aandacht op de onregelmatige stroomwisseling op het plafond. Aan. Uit. Aan. Uit. Licht. Donker. Licht. Donker. Het speelse spel van de vonken in het glas heeft iets geruststellends, iets herkenbaars bijna. Het herinnert me aan de ongrijpbaarheid van het leven. Aan de onbereikbaarheid van logica.

Want sommige dingen gebeuren gewoon. Al zijn ze niet gewoon, zelfs ongewoon. En nog erger; onverwachts. Oneerlijkheid maakt verdriet helaas niet minder waar. En juist voor dat gevoel zijn wij niet immuun. Alles behalve zelfs; het lijkt een eigen leven te leiden zodra je het zuurstof gunt.

Het lot wil dat hersenen die overspoeld worden met emotie zich slechts op een deeltje hiervan tegelijk kunnen concentreren; het meest dominante. Als dat paniek is ben je d’r mooi klaar mee. Als het een nasmaak van wanhoop heeft, ben je nog verder van huis. Al weet ik al lang dat ik mijn huis ver achter me heb gelaten - in een onmogelijke haast die nog steeds als tandpastavlek aan me kleeft.

De reden van mijn vertrek kan ik niet verbloemen. Ook niet als ik met al mijn moed en laatste restjes aandacht de Libelle opensla en een slok neem van mijn cola light. Ik lees niks, ik proef niks. Het is alsof er niets meer is dan die kamer. Dat bed. Zijn lichaam in dat bed. Nog wel, tenminste. Nee, dat mag ik niet denken. Hou op.

Een rilling gaat door me heen als ik het koude flesje weer terugzet op tafel. Of zou het door hem komen? “Opa,” fluister ik in mezelf als ik zie hoe het lampje boven me abrupt zijn speelse flikkering staakt. De kleine schaduw die volgt, overvalt me moeiteloos. Toch huil ik niet. Ik ben alleen maar kwaad. De reparateur had eerder moeten komen, al bij het eerste verschil in voltage! Maar goed, een lampje minder maakt de anderen niet veel uit. Er is immers genoeg licht over.

zaterdag 14 november 2009

I would like to share the stars
If you could tell me where you are
Like heaven’s guide to you
The night will bring me to
A window I’ve seen in my dreams

I would like to share the moon
If you could step into my room
Like nightingale’s last song
To call upon the dawn
I beg our love will be redeemed

All shooting stars my cry
They are no match for me
My eyes have seen much pain
Stripped of all subtlety
All glancing souls might hope
They are not to secure
The place I’ve won myself
By hoping times before