maandag 23 november 2009

Open Einde


Het waren net bloemen in bakjes, de balkons. Zwevend op ooghoogte, gemaakt uit strenge stenen, verontschuldigend rood. Met monnikengeduld opgestapeld zoals eigenlijk het gehele gebouw. Er zou geen haartje tussen passen want ademruimte was er niet. Er zou ook geen haartje tussen willen want er leefde niks. In de stenen bakjes of in de kamers die daarachter lagen.

Gescheiden waren ze slechts door de gladde, doorzichtige platen. De ramen. Die de lucht weerkaatsten op de zorgvuldig behangen muren, zoals zonlicht op het water. Ze waren elk onnatuurlijk eenzijdig; een levend schilderij dat er slechts was om bekeken te worden. Ze verschaften zonder schaamte een uitnodiging aan alle hongerige ogen die zich met gefixeerde fascinatie aan de wereld vergaapten die buiten hun blikveld lag.

En als het glas glom in het heldere ochtendlicht, zou je zelf de vingervlekken wel zien. Het bewijs van een onvrijwillige maar onmiskenbare tweedeling; buiten en binnen, leven en wachten, rennen en stilstaan. Een geleidelijke beleving van de Dood… En al zouden ze het anders willen, de keuze was voor hen gemaakt. Zij waren niets meer dan gevangen van de Zee Van Tijd.

En de ramen? Ach, dat was hun laatste avondmaal. Waarvan de materie al even kil was als het lot dat hen wachtte. Ramen? Nee. Spiegels van eenzaamheid! Veelvoudig sloten zij hen op zonder ooit een lastig woord te horen. Van binnen of buiten. Want het is stil als je alleen bent. Ook al ben je niet daadwerkelijk alleen.

Overblijven zou lang zo erg niet zijn als de mensen bij je bleven. De mensen die je over hebt. Maar men heeft tegenwoordig niet eens genoeg tijd voor zichzelf, laat staan voor een ander. En waarom zouden zij zich met open ogen laten vangen in dat net van glas en steen. Rennen we niet allemaal zo lang we kunnen? Vast. Het stilstaan komt later wel. Al snel genoeg.

Maar toch… We denken zo veel over dingen na. Over dingen die we dicht bij ons hart dragen of dingen die juist ver van ons af staan. Van die alles overkoepelende dingen dus. En voor alles hebben we zo mooi een naam bedacht. Maar hoe noemen we de tijd waarin we vergeten worden? De tijd tussen het gezamenlijk lachen en het alleen wakker worden in een huis waar we niet echt wonen, maar zijn. Alleen maar zijn. Totdat we niet meer zijn. We weg zijn. Eindelijk. Verlost.

Maar is er dan wel een verschil of blijven we gewoon zweven op een wolk van nalatigheid? Bevrijd zijn we dan, weliswaar, van de vierkante blokkendoos die ons gevangen hield. Niet langer achter glas. Stil te staan. Te smachten…naar het leven dat ons niet kent. Gebonden zijn we eigenlijk alleen aan onszelf, toch? Niet aan ons lichaam, niet aan ons huis, niet aan dat alles wat tastbaar is. Dat is onzin. Dat doet er niet toe. Het is handig, dat wel, maar nodig? Nee.

Onze wil is dat wat ons drijft, dat wat ons elke dag weer laat opstaan. Meer bagage heb je niet nodig. Maar je moet wel durven om niet aan het raam gekluisterd te blijven. Om je ogen te openen naar dat wat voor je staat en er met beide handen naar te grijpen. Om door de vingervlekken heen te gaan, lachend. Moed laat zich immers gemakkelijk verzamelen als het een doel heeft. Al is de eerste stap niet gemakkelijk gezet.

Misschien is het een kwestie van verbeelding, misschien lijkt het voor hen niets meer dan een sprookje. Maar wie wil nou zweven als je nog kunt rennen? Wie wil nou kijken als je nog mee kunt doen? Daar buiten. Aan de andere kant van het glas. “Toe maar,” zou ik hen graag zeggen. “De wereld wacht op jou.”

Geen opmerkingen: