maandag 23 november 2009

Hoogmoed


Het diepe geluid van een verre scheepshoorn galmde genadeloos door de loods. Als de klank slechts een seconde later hoorbaar was geweest, hadden de havenarbeiders zeker het verdachte geluid wel gemerkt. Die van de onmiskenbare ontsnapping van een kogel uit zijn kooi. Maar de pistolen werden gelijkmatig getrokken en geleegd, zonder twijfel of terughoudendheid en werd dus bedekt door een geluid van een veel grotere omvang.

Dit duel had trouwens geen getuigen. Helaas voor Daan den Koninge had dit duel ook geen winaars. Met verspilde moeite hield hij zijn hand tegen zijn borst gedrukt, de plek waar zijn witte shirt bloedrood gekleurd was. Hij voelde zijn hart hevig kloppen, alsof in protest, en wist zich maar amper staande te houden door zich vast te klampen aan een oude, ijzeren ketting die van het plafond naar beneden hing. Al stond hij stil, was hij totaal buiten adem. Ergens vlak boven hem hoorde hij vogels fladderen, maar toen hij zijn ogen omhoog richtte om te kijken, zag hij zijn omgeving samensmelten in een enkel beeld. Hij wist toen dat het niet lang meer zou duren voordat het over zou zijn. Voordat hij voorgoed verslagen zou zijn.

Nooit had hij gedacht dat het zo zou eindigen. Nooit had hij gedroomd dat zijn glorie zou vergaan. Dat het zou vergaan met hetzelfde gemak als dat hij het verworven had. Maar vandaag zou geen schat hem nog redden kunnen, al was hij zelfs op dit bittere moment omringd door goud. De buit waarnaar hij, samen met zijn vrienden die nu ijskoud in het felle zonlicht lagen, maandenlang smachtend had uitgekeken, leek hem uit te lachen. Keihard.

Ironisch gezien was het zijn vertrouwen in vriendschap, niet zijn hebzucht, dat hem naar de drempel van De Dood had geleidt. Misschien dat deze daarom nog niet zeker scheen van zijn lot. Hij hoorde zijn eigen geweten razen. Verdiende hij een tweede kans? Ja. Zou hij zich voortaan beter gedragen? Nee. Daan was niet gemaakt voor regels. Daan was gemaakt voor macht en misdaad. Het zat in zijn bloed. Het bloed dat hij inmiddels op zijn lippen kon proeven.

Eigenlijk had hij het kunnen verwachten. Een crimineel creƫert immers zoveel lawaai in zijn leven dat het hem zal blijven achtervolgen tot het hem uiteindelijk inhaalt. In een moment van zwakte of ziekelijke zelfverzekerdheid. Zijn moment was net gekomen en was aan hem voorbij gerend zonder dat hij het zich ooit had gerealiseerd. Maar De Dood was geduldig en haastte zich niet.

Hij wachtte af tot zijn benen het niet meer zouden uithouden, tot zijn ogen dicht zouden vallen en hij langzaam zijn evenwicht zou verliezen. Maar voordat dit gebeurde, zou Daan zijn leven voelen, intenser en dichterbij dan dat hij het ooit gevoeld had. Nog even had hij de kans om afscheid te nemen. Om de gezichten te zien die hem dierbaar waren. Nog even en dan was hij weg. Dan zou hij alles achterlaten. Alles wat hij had opgebouwd, alles wat hij had verzameld, alles wat hij had vernield. Als een kapitein zou hij ondergaan met zijn schip. Trots en eenzaam.

Geen opmerkingen: