donderdag 19 november 2009

Dichtbij


Een flauw gevoel vervult mij terwijl ik de bekende, lange gang in staar. Fel neon licht druipt van het plafond en valt op de hoofden van figuren in wit die plichtsgetrouw langs marcheren. Niets lijkt hen te deren, zelfs niet de Dood. In hun gezichten bespeur ik geen angst. Hun ogen staan strak en sfeerloos al ontsnapt er een vluchtige blik van sympathie als ze ons blikveld binnendwalen.

Ik vraag me af hoe lang we hier al zitten. Het lijken geen uren, maar dagen. De klok is het niet met mij eens en trekt me met schreeuwende kracht terug naar de werkelijkheid; het duurt te lang. Het leven sluimert. Genadeloos langzaam.

Zou het zo horen? Is dit eerlijk? Het knipperende lampje dat hoog boven mij zweeft het is enige gelijkgezinde protest dat aanwezig is. De rest is stil, zwijgt. Niet uit verveling of bezigheid, nee, het is alsof ze niet durven te spreken. Alsof een hoopvol woord van hen hem de adem zal benemen.

Om de beelden die mijn hart overstromen te verdringen, vestig ik mijn aandacht op de onregelmatige stroomwisseling op het plafond. Aan. Uit. Aan. Uit. Licht. Donker. Licht. Donker. Het speelse spel van de vonken in het glas heeft iets geruststellends, iets herkenbaars bijna. Het herinnert me aan de ongrijpbaarheid van het leven. Aan de onbereikbaarheid van logica.

Want sommige dingen gebeuren gewoon. Al zijn ze niet gewoon, zelfs ongewoon. En nog erger; onverwachts. Oneerlijkheid maakt verdriet helaas niet minder waar. En juist voor dat gevoel zijn wij niet immuun. Alles behalve zelfs; het lijkt een eigen leven te leiden zodra je het zuurstof gunt.

Het lot wil dat hersenen die overspoeld worden met emotie zich slechts op een deeltje hiervan tegelijk kunnen concentreren; het meest dominante. Als dat paniek is ben je d’r mooi klaar mee. Als het een nasmaak van wanhoop heeft, ben je nog verder van huis. Al weet ik al lang dat ik mijn huis ver achter me heb gelaten - in een onmogelijke haast die nog steeds als tandpastavlek aan me kleeft.

De reden van mijn vertrek kan ik niet verbloemen. Ook niet als ik met al mijn moed en laatste restjes aandacht de Libelle opensla en een slok neem van mijn cola light. Ik lees niks, ik proef niks. Het is alsof er niets meer is dan die kamer. Dat bed. Zijn lichaam in dat bed. Nog wel, tenminste. Nee, dat mag ik niet denken. Hou op.

Een rilling gaat door me heen als ik het koude flesje weer terugzet op tafel. Of zou het door hem komen? “Opa,” fluister ik in mezelf als ik zie hoe het lampje boven me abrupt zijn speelse flikkering staakt. De kleine schaduw die volgt, overvalt me moeiteloos. Toch huil ik niet. Ik ben alleen maar kwaad. De reparateur had eerder moeten komen, al bij het eerste verschil in voltage! Maar goed, een lampje minder maakt de anderen niet veel uit. Er is immers genoeg licht over.

Geen opmerkingen: